Skip to the content

Uitoefening recht op aftrek btw: het begrip “adres” vermeld op de factuur

Feiten

In de eerste zaak (C-374/16) was de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RGEX (in vereffening sinds 2015) actief in de autohandel. In haar btw-aangifte heeft zij voorbelastingen opgegeven die zij betaald had voor 122 auto’s afgenomen van EXTEL GmbH.

De Duitse belastingadministratie heeft de aangifte niet aanvaard. Ze heeft geoordeeld dat de vereffende voorbelastingen voor facturen uitgereikt door EXTEL niet aftrekbaar waren omdat die laatste geen handelsactiviteit uitoefende op het adres vermeld op haar facturen. In de Duitse wetgeving kan een belastingplichtige immers de aftrek van de voorbelasting niet genieten als de factuur niet het "volledige adres" bevat van de opsteller (art. 14, § 4, eerste zin, punt 1, van de Umsatzsteuergesetz). De Duitse rechtspraak interpreteert dat begrip als het adres waar de ondernemer zijn handelsactiviteit uitoefent.

De BVBA RGEX heeft opgeworpen dat het "adres" enkel dient om de opsteller van de factuur te identificeren en louter een mogelijkheid inhoudt om via de post bereikbaar te zijn.

In de tweede zaak (C-375/16) was M. Butin uitbater van een autohandel in Duitsland. Hij wou de voorbelasting aftrekken op facturen voor de aankoop van een aantal voertuigen bij onderneming Z die voor wederverkoop bestemd waren.

De Duitse belastingadministratie heeft ook in dat geval de aftrek geweigerd omdat het op de facturen vermelde adres slechts als "brievenbus" diende en Z geen vaste inrichting in Duitsland had.

In die omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, in Duitsland) voor beide zaken beslist om de behandeling van de zaak te schorsen en prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. Zo vroeg het, onder andere, of de factuur die overeenkomstig artikel 226, punt 5, van de Btw-richtlijn vereist is voor de uitoefening van het recht op aftrek, het adres van de belastingplichtige moet bevatten waarop laatstgenoemde zijn handelsactiviteiten uitoefent.

Uitspraak van het Hof

Om een bepaling van het Unierecht te interpreteren wijst het Hof eerst en vooral op het belang om met haar bewoordingen alsook met haar context en de door de reglementering nagestreefde doeleinden rekening te houden.

De termen die in artikel 226, punt 5 van de Btw-richtlijn gebruikt worden, verschillen volgens de gebruikte talen. In sommige vertalingen van de Richtlijn staat te lezen "de volledige naam en het adres" terwijl er in andere sprake is van de "volledige naam en het volledige adres".

De af- of aanwezigheid van het adjectief "volledig" zegt echter niets over het feit of het begrip adres uitgelegd moet worden als de plaats waar de opsteller van de factuur zijn handelsactiviteit uitoefent.

Bovendien verwijst die term in zijn gebruikelijke betekenis, zoals aangegeven door de advocaat-generaal in zijn conclusies (conclusie van de advocaat-generaal M. Nils Wahl voorgelegd op 5 juli 2017, punt 36, zie www.monKEY.be), naar elk type adres, met inbegrip van een loutere brievenbus, voor zover de betrokkene daar bereikbaar is.

Artikel 226 van de Btw-richtlijn voegt er nog aan toe dat, voor btw-doeleinden, alleen de in dat artikel opgesomde vermeldingen verplicht aangebracht moeten worden op de facturen die in toepassing van artikel 220 van de Richtlijn uitgereikt worden.

Dat betekent dat de lidstaten geen strengere verplichtingen mogen opleggen die de uitoefening van het recht op aftrek van de btw zouden onderwerpen aan voorwaarden waarin de bepalingen van die richtlijn niet uitdrukkelijk voorzien.

Ten tweede heeft het Hof, uitgaand van zijn vorige rechtspraak (HvJ, 15 september 2016, C-518/14, arrest Senatex, punt 38; zie www.monKEY.be), geoordeeld dat het bezit van een factuur die de in artikel 226 van de Btw-richtlijn voorziene vermeldingen bevat een formele voorwaarde is voor het recht op btw-aftrek. Zelfs als de belastingplichtigen bepaalde formele voorwaarden niet vervuld hebben, dan nog moet de aftrek van de vooraf betaalde btw toegestaan worden als de materiële voorwaarden vervuld zijn.

Ten derde, volgens de teleologische uitlegging van artikel 226 van de Btw-richtlijn, hebben de verplichte vermeldingen op de factuur tot doel de belastingdiensten in staat te stellen te controleren of de verschuldigde belasting betaald is en, in voorkomend geval, of er recht op btw-aftrek bestaat. Om die controle uit te voeren, vormt het btw-identificatienummer wezenlijke informatie. Het dient om de opsteller van de factuur te identificeren, een verband te leggen tussen een bepaalde handelsverrichting en de opsteller en na te gaan of hij een belastingplichtige is en het btw-bedrag dat aanleiding geeft tot aftrek aangegeven en betaald heeft.

Daarnaast moeten we aanstippen dat het Hof bepaald heeft dat de aftrekregeling dient om de onderneming volledig te ontlasten van de in het kader van al haar economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw (HvJ, 14 juni 2017, C-38/16 Compass Contract Services, C-38/16, punt 34; zie www.monKEY.be).

Bijgevolg verzet het Hof zich tegen een nationale wetgeving, zoals deze in het hoofdgeding, die de uitoefening van het recht op aftrek van de vooraf betaalde btw afhankelijk maakt van de vermelding van het adres op de factuur waar de opsteller zijn economische activiteit uitoefent.

En in België?

In verschillende arresten verstevigt het Hof het fundamentele neutraliteitsbeginsel van de btw door de aftrek van de voorbelasting te aanvaarden als de materiële voorwaarden vervuld zijn, ook al heeft de belastingplichtige bepaalde formele voorwaarden genegeerd (HvJ, 15 september 2016, C-518/14 Senatex GmbH, punt 38, HvJ, 15 september 2016, C-516/14 Barlis, punt 42; HvJ, 1 maart 2012, C-280/10 Trawertyn, punt 41; zie www.monKEY.be).

Het beginsel van het "overwicht van de materiële op de vormvoorwaarden" bij de uitoefening van het recht op aftrek wordt eens temeer bevestigd door dat arrest van 15 november 2017.

In België heeft een circulaire van 12 oktober 2017 (circulaire 2017/C/64, zie www.monKEY.be) onlangs de rechtspraak van het Hof betreffende de uitoefening van het recht op aftrek toegelicht en bevestigd dat zodra de belastingadministratie over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat de materiële voorwaarden vervuld zijn, ze geen bijkomende voorwaarden inzake het recht van de belastingplichtige om die belasting af te trekken mag opleggen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van het recht verhinderd wordt.

 

BTW Brief 01/2018
Sebastian KIRSCH en Christelle THIRY

 

Connect with us


Veerle Coussee
Partner

Indirect Tax
Brussels

Connect with us


Jeroen Gobbin
Partner

Indirect Tax
Brussels

Share this

Tags


Related articles