Skip to the content

België: Ontwerpcirculaire inzake verrekenprijzen

Overeenstemming met de OESO verrekenprijsrichtlijnen gepubliceerd in 2017

De ontwerpcirculaire lijkt in het algemeen in overeenstemming te zijn met de OESO verrekenprijsrichtlijnen (gepubliceerd in 2017) en heeft tot doel om enkele van de recent geïntroduceerde OESO-concepten over te nemen en te bespreken vanuit een Belgisch perspectief. Deze ontwerpcirculaire bespreekt de hoofdstukken 1 tot 3 en de hoofdstukken 6 tot 9 van de OESO verrekenprijsrichtlijnen inzake verrekenprijzen.

Inzake het vaststellen van de verrekenprijzen wordt nogmaals bevestigd dat bestaande contracten het vetrekpunt vormen. Indien de functionele analyse afwijkt van de voorwaarden in het contract, primeert het gedrag van de betrokken partijen bij de transactie en wordt er geen rekening gehouden met de contractuele bepalingen. Het belang van het controleren van de risico’s en de financiële draagkracht hiervoor door elke risico dragende partij, wordt ook benadrukt.

Bij de bespreking van de verrekenprijsmethoden worden een aantal aandachtspunten meer in detail toegelicht, waaronder:

  • De mogelijke afwijzing van de studies die een te groot arm’s length interval vertonen;
  • Het gebruik van begrote kosten versus reële kosten;
  • De berekening van de kostenbasis en zogenaamde ‘voorschotkosten’;
  • Het gebruik van de Belgische boekhoudnormen versus andere boekhoudnormen;
  • De berekening van nettomarges en de impact van de niet-recurrente kosten en opbrengsten.

 

Het hoofdstuk inzake de vergelijkbaarheidsanalyse benadrukt dat vergelijkingspunten bij voorkeur worden gevonden in het land van de te testen partij, doch een uitbreiding naar andere markten kan onder bepaalde voorwaarden. Een update van oorspronkelijke transfer pricing studies vindt idealiter plaats om de drie jaar, wat in overeenstemming is met de OESO verrekenprijsrichtlijnen.

Bij het testen van het arm’s length karakter van de transactie, zal de Belgische belastingadministratie principieel uitgaan van de interkwartielrange-benadering van de weerhouden vergelijkingspunten. Het resultaat van de geteste partij zal worden aanvaard wanneer het resultaat van de geteste transactie in de interkwartielrange valt en er op ex-ante basis bij de prijszetting werd uitgegaan van de mediaanpositie. Indien het resultaat van de geteste transactie buiten de interkwartielrange valt, zal de administratie in principe de mediaan als referentiepunt nemen.

Inzake moeilijk te waarderen immateriële activa worden een aantal standpunten bevestigd die ook vervat zitten in het rapport van de OESO gepubliceerd op 21 juni 2018. Zo wordt ervan uitgegaan dat er steeds sprake van informatie-asymmetrieën tussen de belastingplichtige en de belastingadministratie. Omwille van deze reden zou de belastingadministratie gebruik kunnen maken van ex-post resultaten om na te gaan of ex-ante prijsafspraken correct werden weergegeven. Dit principe zal enkel door de administratie worden toegepast ingeval van transacties waarvan moeilijk te waarderen immateriële activa deel uitmaken en die op of na 5 oktober 2015 werden uitgevoerd.

Voor intragroepsdiensten met beperkte toegevoegde kan onder bepaalde voorwaarden een vereenvoudigde benadering worden gehanteerd tot vaststelling van de arm’s length vergoeding. Hierbij kan worden uitgegaan van de winstmarge die gelijk is aan 5% van de betrokken kosten.

Ten aanzien van bedrijfsherstructureringen worden een aantal principes besproken bij stopzetting of substantiële herziening van bestaande regelingen, waarbij de vraag rijst of de geherstructureerde entiteit geen recht heeft op een vergoeding.

Ten slotte verwijst de ontwerpcirculaire naar de winstverdeling tussen hoofdhuis en vaste inrichting. Hierbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen dubbelbelastingverdragen gebaseerd op het OESO Modelverdragen van vóór 2010 en vanaf 2010.

Leidraad voor intragroeps-financiering

De ontwerpcirculaire bevat ook aanvullende richtlijnen over intragroeps-financiering, waarbij verschillende concepten uit het nog te verschijnen OESO-discussiedocument over de transferprijsaspecten van intragroeps-financiering zijn aangenomen. Specifieke posities gerelateerd aan intragroeps-financiering worden besproken, waaronder:

  • Een groepsvennootschap dient geen vergoeding te betalen voor een zogenaamde ‘impliciete steun’ (i.e. een betere rating krijgen louter en alleen op basis van het deel uitmaken van de groep);
  • Verder heeft de administratie een voorkeur voor de zogenaamde ‘yield approach’ bij het bepalen van de vergoeding voor de garanties;
  • Deposito's of leningen die gedurende een periode van zes maanden of langer gelijk blijven, worden geherkwalificeerd als leningen op korte termijn;
  • Alle cashpool-deelnemers worden geacht dezelfde kredietrating te hebben;
  • De vergoeding van cashpool-leiders die optreden als beheerders van de cashpool mag niet hoger liggen dan een marktgebaseerde servicetoeslag, die doorgaans wordt bepaald op basis van een op kosten gebaseerde benadering.

Observaties

De ontwerpcirculaire biedt enkele interessante inzichten in de standpunten van de Belgische belastingadministratie over verschillende transfer pricing-onderwerpen, die naar verwachting de basis zullen vormen voor verschillende discussies tijdens verrekenprijsaudits. In het algemeen, kan gesteld worden dat de standpunten van de Belgische belastingadministratie grotendeels in overeenstemming blijven met de verrekenprijsrichtlijnen van de OESO.

Desalniettemin, is het voorstel om in bepaalde gevallen een aanpassing door te voeren op basis van de mediaan van de benchmarking studie (en niet op basis van de interkwartiel-range) vergaand en niet in lijn met de OESO richtlijnen. Gezien de substantiële impact van deze positie, kan men zich de vraag stellen of deze zienswijze zal behouden worden in de finale versie van de Circulaire.

Connect with us


Dirk Van Stappen
Tax Partner

Corporate Tax
Antwerp

Share this

Tags


Related articles