Skip to the content

De holdingvennootschap en de liquidatiereserve, dan toch een geslaagd huwelijk?

De liquidatiereserve is één van de meest gebruikte fiscale optimalisatietechnieken voor KMO’s om de belastingdruk bij dividenduitkeringen aan aandeelhouders-natuurlijke personen te verminderen. Holdingvennootschappen stoten evenwel vaak op de limieten van de KMO-definitie van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen (hierna “W.Venn.”). De Commissie voor Boekhoudkundige Normen en de Dienst Voorafgaande Beslissingen zetten de deur nu open voor (voormalige) holdingvennootschappen om onmiddellijk als KMO-vennootschap te kwalificeren na de verkoop van hun dochtervennootschappen. Bijgevolg kunnen ook zij onder bepaalde voorwaarden en mits een welgekozen timing in aanmerking komen voor het aanleggen van een liquidatiereserve: een interessante planningstechniek om gerealiseerde meerwaarden op aandelen fiscaalvriendelijk uit te keren.

Liquidatiereserve

Enkel kleine vennootschappen in de zin van artikel 15, §1-6 W.Venn. hebben de mogelijkheid om een liquidatiereserve aan te leggen. Voor de aanleg van deze reserve dient men het geheel of een gedeelte van de boekhoudkundige winst na belasting over te boeken naar één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief tegen een afzonderlijke heffing van 10% (art. 184quater WIB 92).  Deze reserve kan in een latere fase tegen een verlaagd tarief in de roerende voorheffing worden uitgekeerd. Bij een dividenduitkering (ten vroegste) vijf jaar na aanleg van de liquidatiereserve, dient er slechts 5% roerende voorheffing ingehouden te worden (i.p.v. het gemeen tarief van 30%). Wanneer de reserve wordt uitgekeerd op het moment van liquidatie van de vennootschap, dient er zelfs geen roerende voorheffing betaald te worden op deze reserve.

De fiscale KMO-definitie

Om te kwalificeren als een KMO-vennootschap,  is vereist dat de vennootschap op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende groottecriteria overschrijdt:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;
  • jaaromzet, exclusief BTW: 9 miljoen EUR;
  • balanstotaal: 4,5 miljoen EUR.

Indien een vennootschap verbonden is met één of meer andere vennootschappen in de zin van artikel 11 W.Venn., dienen deze criteria op geconsolideerde basis te worden bekeken of kan men opteren voor een vereenvoudigde berekening waarbij louter de totalen van de omzet en de balanstotalen van al de verbonden vennootschappen worden opgeteld. In dat geval worden de bovenvermelde grensbedragen van balanstotaal en netto-omzet verhoogd met 20%.

Wanneer meer dan één van de bovenvermelde criteria worden overschreden of niet meer worden overschreden, heeft dit in principe slechts gevolgen wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet  (art. 15, § 2 W.Venn.).

Zo zal een niet verbonden vennootschap die in de voorbije boekjaren steeds meer dan één van de bovenvermelde criteria heeft overschreden en die in het huidig boekjaar 2018 deze criteria niet meer overschrijdt (bv. door de overdracht van een bedrijfstak) in principe pas als een ‘kleine’ vennootschap worden beschouwd in het boekjaar 2020 (en zal zij dus pas vanaf dat boekjaar een liquidatiereserve kunnen aanleggen).

Commissie voor Boekhoudkundige Normen

In 2017 heeft de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) een advies uitgebracht m.b.t. de beoordeling/toepassing van de groottecriteria wanneer de verbondenheid met een andere vennootschap tijdens het boekjaar ontstaat of wegvalt (advies 2017/10 van 19 april 2017; Balans 2017, nr. 786, 7).

De Commissie benadrukt dat voor de beoordeling van de groottecriteria de verbondenheid principieel moet worden beoordeeld op de balansdatum van het betreffende boekjaar. Indien er tijdens het betreffende boekjaar wijzigingen(en) hebben plaatsgevonden i.v.m. de verbondenheid tussen de vennootschappen, heeft dit gevolgen voor de wijze waarop deze criteria moeten worden toegepast.

Immers stelt de Commissie dat indien een vennootschap op balansdatum niet meer verbonden is (door bv. de vervreemding van al haar onderliggende participaties), de toetsing van de groottecriteria, ook voor de voorgaande jaren, dient plaats te vinden op ‘enkelvoudige basis’.

Op grond van deze zienswijze kan een holdingvennootschap in het jaar waarin zij haar deelnemingen vervreemdt, onmiddellijk als een kleine vennootschap kwalificeren (en aldus een liquidatiereserve aanleggen) mits zij op enkelvoudige basis volgens artikel 15 §1-6 W. Venn. als klein gekenmerkt wordt.

Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat er op balansdatum geen verbondenheid mag behouden blijven met een andere vennootscha. Immers, indien een holdingvennootschap een deelneming in een (grote) dochtervennootschap zou verkopen maar een andere controlerende deelneming in een (kleine) dochtervennootschap behoudt, zal de beoordeling in hoofde van de holdingvennootschap nog steeds geconsolideerd moeten gebeuren en kan deze vennootschap niet onmiddellijk klein worden (maar overeenkomstig de algemene regel ten vroegste in het tweede boekjaar na de verkoop indien zij geconsolideerd de criteria niet meer overschrijdt). Deze vennootschap zal dus geen liquidatiereserve kunnen aanleggen voor de winst (meerwaarde) gerealiseerd bij de verkoop van haar deelneming in de grote dochteronderneming.

Dienst Voorafgaande Beslissingen

Recent heeft de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) bovenstaand CBN-advies toegepast in haar Voorafgaande Beslissing (‘ruling’) nr. 2018.0339 van 5 juni 2018. Het voorwerp van de aanvraag betrof o.a. het aanleggen van een liquidatiereserve waarbij de aanvrager een (voormalige) Belgische holdingvennootschap was die gedurende het boekjaar de aandelen van haar dochtervennootschappen had vervreemd.

De aanvrager overschreed op enkelvoudige basis niet meer dan één van de criteria voorzien in  art. 15, §1 W.Venn. Evenwel, door haar verbondenheid met haar dochtervennootschappen en de daarmee gepaard gaande beoordeling op geconsolideerde basis, werd de aanvrager in het verleden niet beschouwd als een kleine vennootschap.

De Rulingcommissie bevestigt, onder verwijzing naar het CBN-advies, dat voor een vennootschap die op balansdatum niet langer een verbonden vennootschap is, de criteria om uit te maken of zij wel of niet klein is, ook voor de voorgaande jaren op enkelvoudige basis moeten worden toegepast. Daar de aanvrager op enkelvoudige basis aanzien kan worden als kleine vennootschap in de zin van artikel 15 W.Venn., bevestigt de Rulingcommissie dat de vennootschap in het jaar van vervreemding van de deelnemingen kwalificeert als een kleine vennootschap en aldus een liquidatiereserve kan aanleggen.

Planningstechniek voor holdingvennootschappen?

Holdingvennootschappen die fiscaal groot zijn, louter door verbondenheid, hebben geen toegang tot het aanleggen van een liquidatiereserve. Tot op het moment van de publicatie van het CBN-advies en vervolgens de ruling, was er geen duidelijkheid over de toepassing van artikel 15 W.Venn. ingeval van wijziging van verbondenheid. Veiligheidshalve ging men ervan uit dat het wijzigen van de verbondenheid – waardoor de groottecriteria niet meer werden overschreden – tot gevolg had dat de voormalige holdingvennootschap pas in het tweede boekjaar na de verkoop van haar deelnemingen als een kleine vennootschap zou kwalificeren.

Inmiddels hebben zowel de CBN als de DVB aangegeven dat artikel 15 W.Venn. volgens hen anders moet worden toegepast. Holdingvennootschappen die op geconsolideerde basis groot zijn door een deelneming in een omvangrijke exploitatievennootschap, kunnen dus onmiddellijk klein worden door de vervreemding van deze deelneming (en eventuele andere deelnemingen). Dit zet de deur open voor (voormalige) holdingvennootschappen om onder bepaalde voorwaarden – mits toepassing van een doordacht verkoopbeleid en een optimale timing – de gerealiseerde meerwaarde op aandelen op een fiscaal gunstige manier aan haar aandeelhouder-natuurlijke persoon uit te keren, meer bepaald door het aanleggen van een liquidatiereserve.

 

 

Connect with us


Thomas Zwaenepoel
Partner

Corporate Tax
Brussels

Share this

Tags


Related articles